Nederlandse grammatica, simpel uitgelegd
Korte uitleg met een tabel en oefeningen. Begin bovenaan: dat is wat je het vaakst nodig hebt.
A1
De of het?
Elk zelfstandig naamwoord heeft de of het. Meestal is het de.
10 oefeningen
Werkwoorden: ik werk, jij werkt
De stam, plus een t bij jij, u en hij/zij. Meervoud: het hele werkwoord.
10 oefeningen
Woordvolgorde: het werkwoord op plek 2
In een gewone zin staat het werkwoord altijd op de tweede plek.
8 oefeningen
Meervoud: huis, huizen
Meestal -en, soms -s. Het meervoud heeft altijd de.
8 oefeningen
Mijn, jouw, zijn, haar
Van wie is het? Mijn huis, haar auto, onze kinderen.
7 oefeningen
A2
Niet of geen?
Geen staat voor een zelfstandig naamwoord zonder de/het. Anders is het niet.
6 oefeningen
Kunnen, moeten, willen, mogen
Twee werkwoorden in een zin: het tweede staat helemaal achteraan.
7 oefeningen
Voltooide tijd: ik heb gewerkt
hebben of zijn + ge…t of ge…d. Met 't kofschip weet je of het t of d is.
9 oefeningen