A1 · Grammatica
Woordvolgorde: het werkwoord op plek 2
In een gewone zin staat het werkwoord altijd op de tweede plek.
In een gewone Nederlandse zin staat het vervoegde werkwoord altijd op de tweede plek. Meestal staat het onderwerp vooraan: Ik werk vandaag.
Begin je met iets anders, zoals een tijd of een plaats? Dan blijft het werkwoord op plek 2 en schuift het onderwerp erachter: Vandaag werk ik. Dit heet inversie.
In een vraag zonder vraagwoord staat het werkwoord vooraan: Werk jij vandaag? Met een vraagwoord: Waar werk jij?
| plek 1 | plek 2 (werkwoord) | rest | Luister |
|---|---|---|---|
| Ik | werk | vandaag. | |
| Vandaag | werk | ik. | |
| In Utrecht | woon | ik. | |
| Waar | woon | jij? | |
| – | Woon | jij in Utrecht? |
Regels
Begint de zin met tijd of plaats: werkwoord, dan onderwerp.
Morgen ga ik naar de dokter.
Vraag met een vraagwoord: vraagwoord, werkwoord, onderwerp.
Wanneer begint de les?
Ja/nee-vraag: het werkwoord vooraan.
Heb jij een fiets?
Let op
Niet: Vandaag ik werk. Wel: Vandaag werk ik. Het werkwoord blijft op plek 2.
Oefenen
8 korte vragen. Na elk antwoord zie je waarom.