IBA.
Grammatica

A1 · Grammatica

De of het?

Elk zelfstandig naamwoord heeft de of het. Meestal is het de.

In het Nederlands staat voor een zelfstandig naamwoord de of het: de man, het huis. Er is geen vaste regel voor alle woorden, dus je leert het lidwoord mee met het woord.

Goed nieuws: ongeveer twee van de drie woorden hebben de. En in het meervoud is het altijd de: het huis, de huizen.

Een is voor de- én het-woorden: een man, een huis.

de-woordhet-woord
enkelvoudde manhet huis
meervoudde mannende huizen
eeneen maneen huis
deze / ditdeze mandit huis
die / datdie mandat huis

Regels

Een verkleinwoord (op -je) is altijd het.

de tafel → het tafeltje

Een meervoud is altijd de.

het kind → de kinderen

Talen zijn het.

het Nederlands, het Arabisch

Een hele werkwoord als zelfstandig naamwoord is het.

het eten, het werken

Mensen en beroepen zijn bijna altijd de.

de dokter, de buurvrouw

Let op

Bij twijfel: kies de. Dan heb je twee op de drie keer gelijk. Leer het lidwoord altijd samen met het woord.

Oefenen

10 korte vragen. Na elk antwoord zie je waarom.

Alle grammatica-onderwerpen