A2 · Grammatica
Kunnen, moeten, willen, mogen
Twee werkwoorden in een zin: het tweede staat helemaal achteraan.
Met kunnen, moeten, willen en mogen zeg je wat mogelijk, nodig, gewenst of toegestaan is. Het andere werkwoord staat dan als hele werkwoord helemaal aan het eind van de zin: Ik wil morgen naar de markt gaan.
Deze werkwoorden zijn onregelmatig. Hij, zij en het krijgen geen t: hij kan, hij wil, hij moet, hij mag.
| kunnen | moeten | willen | mogen | |
|---|---|---|---|---|
| ik | kan | moet | wil | mag |
| jij / u | kunt / kan | moet | wilt / wil | mag |
| hij / zij | kan | moet | wil | mag |
| wij | kunnen | moeten | willen | mogen |
Regels
Het tweede werkwoord staat achteraan, als hele werkwoord.
Ik moet vandaag lang werken.
Hij, zij en het: geen t.
Zij kan goed koken.
In een vraag: het eerste werkwoord vooraan.
Mag ik hier parkeren?
Let op
Niet: Ik wil werken morgen. Wel: Ik wil morgen werken. Het hele werkwoord gaat helemaal naar het eind.
Oefenen
7 korte vragen. Na elk antwoord zie je waarom.