A1 · Grammatica
Mijn, jouw, zijn, haar
Van wie is het? Mijn huis, haar auto, onze kinderen.
Met een bezittelijk woord zeg je van wie iets is: mijn fiets, jouw boek, zijn moeder, haar werk.
Je en jouw betekenen hetzelfde. Jouw gebruik je als het belangrijk is: Is dit jouw jas of mijn jas? Uw is beleefd, zoals u.
Bij ons let je op de of het: het huis, ons huis; de straat, onze straat. In het meervoud is het altijd onze: onze kinderen.
| wie | bezittelijk | voorbeeld |
|---|---|---|
| ik | mijn | mijn fiets |
| jij | jouw / je | jouw boek |
| u | uw | uw naam |
| hij | zijn | zijn moeder |
| zij | haar | haar werk |
| wij | ons / onze | ons huis, onze straat |
| jullie | jullie | jullie kinderen |
| zij (meer) | hun | hun auto |
Regels
ons bij een het-woord, onze bij een de-woord.
ons huis, onze buurt
Meervoud: altijd onze.
onze kinderen
Beleefd: uw.
Wat is uw adres?
Let op
Hun is van hen, niet van hem: hun auto is de auto van die mensen. Zijn auto is de auto van hem.
Oefenen
7 korte vragen. Na elk antwoord zie je waarom.