IBA.
Grammatica

A1 · Grammatica

Werkwoorden: ik werk, jij werkt

De stam, plus een t bij jij, u en hij/zij. Meervoud: het hele werkwoord.

Een werkwoord in het woordenboek heet het hele werkwoord: werken, wonen, lopen. Haal -en eraf en je hebt de stam: werk.

Ik + stam: ik werk. Jij, u, hij en zij + stam + t: jij werkt, hij werkt. Wij, jullie en zij (meervoud) + het hele werkwoord: wij werken.

Let op de spelling van de stam. Hoor je een lange klank, schrijf hem dan dubbel: lopen → ik loop. Twee dezelfde medeklinkers worden één: zitten → ik zit. Een v of z aan het eind wordt f of s: leven → ik leef, reizen → ik reis.

werkenwonenzijnhebben
ikwerkwoonbenheb
jij / uwerktwoontbenthebt
hij / zijwerktwoontisheeft
wijwerkenwonenzijnhebben
julliewerkenwonenzijnhebben
zij (meer)werkenwonenzijnhebben

Regels

Eindigt de stam al op t? Dan komt er geen tweede t.

zitten → ik zit, hij zit

Lange klank: schrijf hem dubbel in de stam.

lopen → ik loop, hij loopt

v en z aan het eind worden f en s.

leven → ik leef; reizen → ik reis

Zijn en hebben zijn onregelmatig: leer ze uit je hoofd.

ik ben, hij is; ik heb, hij heeft

Let op

Komt jij ná het werkwoord (in een vraag of na een woord als morgen), dan valt de t weg: jij werkt, maar werk jij? en morgen werk jij.

Oefenen

10 korte vragen. Na elk antwoord zie je waarom.

Alle grammatica-onderwerpen