IBA.
Grammatica

A2 · Grammatica

Voltooide tijd: ik heb gewerkt

hebben of zijn + ge…t of ge…d. Met 't kofschip weet je of het t of d is.

Over iets wat al gebeurd is, zeg je meestal: hebben of zijn + voltooid deelwoord. Ik heb gisteren gewerkt. Het voltooid deelwoord staat achteraan.

Een regelmatig voltooid deelwoord is ge + stam + t of d. Kijk naar de laatste letter van de stam. Staat die in 't kofschip (t, k, f, s, ch, p), dan schrijf je t: werken → gewerkt. Anders schrijf je d: wonen → gewoond.

Zijn gebruik je bij werkwoorden die een verandering of een beweging naar een plek zijn: ik ben verhuisd, ik ben naar huis gegaan. Bijna alle andere werkwoorden gaan met hebben.

Veel gewone werkwoorden zijn onregelmatig: gaan → gegaan, komen → gekomen, eten → gegeten, drinken → gedronken, zien → gezien, zijn → geweest. Die leer je los.

hele werkwoordstamlaatste lettervoltooid deelwoord
werkenwerkk: in 't kofschipgewerkt
fietsenfietss: in 't kofschipgefietst
wonenwoonn: nietgewoond
bellenbell: nietgebeld
verhuizenverhuiss, maar z in het hele werkwoordverhuisd
gaan–onregelmatiggegaan

Regels

't kofschip: t, k, f, s, ch, p → t. Anders d.

Ik heb gekookt. Ik heb gewoond.

Kijk naar het hele werkwoord bij f/v en s/z: v en z horen niet bij 't kofschip.

leven → geleefd; reizen → gereisd

Begint het werkwoord met be-, ge-, her-, ver- of ont-, dan geen extra ge-.

betalen → betaald; vertellen → verteld

Zijn bij verandering of beweging naar een plek.

Ik ben naar Utrecht verhuisd.

Let op

Verhuizen: de stam is verhuis, maar in het hele werkwoord staat een z. Dus d: verhuisd, niet verhuist.

Oefenen

9 korte vragen. Na elk antwoord zie je waarom.

Alle grammatica-onderwerpen