De Gouden Eeuw
In de zeventiende eeuw beleefde de Republiek een periode van grote welvaart: Amsterdam groeide uit tot de belangrijkste handelsstad van Europa, de wetenschap bloeide en schilders als Rembrandt en Vermeer maakten wereldberoemde werken. Omdat er relatief veel godsdienstvrijheid was, vestigden zich bovendien veel vluchtelingen en kooplieden uit andere landen.
De keerzijde: kolonialisme en slavernij
De welvaart van de Gouden Eeuw had een donkere keerzijde. Nederlandse schepen vervoerden honderdduizenden tot slaaf gemaakte Afrikanen naar plantages in onder andere Suriname en het Caribisch gebied, waar zij onder onmenselijke omstandigheden moesten werken. Ook in de Aziatische koloniën was sprake van dwang en uitbuiting.
De slavernij werd in de Nederlandse koloniën pas in 1863 officieel afgeschaft, en in Suriname moesten de vrijgemaakte mensen daarna nog tien jaar verplicht op de plantages doorwerken. De afschaffing wordt jaarlijks op 1 juli herdacht en gevierd tijdens Keti Koti.
Na de Tweede Wereldoorlog kwam een einde aan het koloniale rijk: Indonesië riep in 1945 de onafhankelijkheid uit, die Nederland in 1949 erkende, en Suriname werd in 1975 onafhankelijk. De Caribische eilanden, zoals Curaçao en Aruba, maken nog altijd deel uit van het Koninkrijk.